Het rode potlood van mijn opa

Bij opa op schoot

 

Zuid-Afrika, zomer 1918. Foort haastte zich zoals elke werkdag van zijn huis naar Grahamstown om op tijd voor zijn klas te staan op het St. Andrews College. Zijn vrouw Ina met de twee kleine dochters wachtten zoals gewoonlijk thuis op zijn terugkomst. Ina kreeg hulp van een inheemse, inwonende hulp.
Onder de lommerrijke bomen was het ’s zomers goed toeven in dit gebied. De plaats ligt in een vallei, meer tussen de bergen. Dat was beter dan het drukkende klimaat in de kustplaats Port Elisabeth iets zuidelijker.
De welvarende Engelse boeren stichtten de ‘oase’ Grahamstown in de 19de eeuw, toen ze vluchtten voor de onrust in de ‘rimboe’ er omheen. Ze schiepen een paradijs met veel groen, parken en waterpartijen. En de eerste universiteit van de Oost-Kaap.
Kostschool naar Engels model
Na de Tweede Boerenoorlog, ook wel eerste moderne oorlog genoemd en aan het begin van de 19de eeuw al weer bijna twee decennia voorbij, bleven landeigenaren in de Zuid-Afrikaanse paradijsstad genieten van het goede en beschermde leven. Hun boerderijen lieten ze over aan een beheerder.
Ze stuurden hun zonen van 13-18 jaar naar het prestigieuze St. Andrews College, een kostschool naar Engels model. Naast leraren uit Engeland stonden er ook Nederlanders voor de klas. Die waren toch vaak meer bedreven in andere buitenlandse talen dan hun Engelse collega’s. Zo ook Foort vanaf 1914.
De leerlingen van zogeheten gegoede families groeiden ver van de Afrikaanse onderlaag op, hoewel de echte apartheid pas 30 jaar later, eind jaren veertig begon.
Foort ontwikkelde een duidelijk eigen mening over dat onderwerp en schreef er diverse boeken over. Zijn Zeeuwse rechtlijnigheid bracht hem uiteindelijk in een lastig parket toen hij zich bij de laatsten in Nederland schaarde, die de standencultuur in Zuid-Afrika als rustpunt bleven verdedigen.
Die rechtlijnigheid herken ik bij andere familieleden. F.C. (Foort Cornelus) Dominicus zoals hij later op de rug van zijn boeken zou heten, en nee niet die van de reisgidsen, was namelijk mijn grootvader. Het intrigeert mij hoe de strenge, statig lopende figuur uit mijn jeugd ooit van Wemeldinge, via Den Haag en Zuid-Afrika toch weer in Den Haag belandde.
Het Zeeuwse platteland
Tijdens de wandeling van huis naar zijn werk in Grahamstown in 1919 dacht Foort nog vaak terug aan de soms helse tocht van zijn eigen school naar huis twintig jaar daarvoor. Het Zeeuwse platteland was onverbiddelijk. Daar geen lommerrijke lanen maar slechts hier en daar een enkele rij populieren langs de weg. Bomen die meebogen met de zeewind en uiteindelijk eindigden als klomp of omheining.
De wandeltocht van Wemeldinge naar Kattendijke om de lagere school te bezoeken, was tien kilometer lang. En die afstand liep hij dus twee keer per dag, zes dagen per week. Jaren later verhaalde hij daar nog over aan de (klein)kinderen.
Vooral in de winter woei de ijzige wind over het vlakke eiland en worstelde de niet heel grote, tanige jongen zich door de weilanden. Niet zo gek dat hij droomde van warme, verre oorden waar hij vaak over las. Bij thuiskomst uit school wachtte eerst natuurlijk de (huishoudelijke) taakjes, zoals de varkens voeren of uien rooien. Maar zodra het kon, bezocht de boekenwurm weer zijn droomwereld.
Foort wist wat hij wilde en bewandelde een rechte weg naar die droom. Voor hem als oudste van tien kinderen in een boerengezin niet keuteren in de Zeeuwse grond en al zeker geen carrière als burgemeester van zijn geboorteplaats Wemeldinge zoals alle oudste zonen in zijn familie.
Hij wilde onderwijzer worden. Voor die droom vervolgde hij na de lagere school zijn opleiding in Goes. Ook weer tien kilometer heen en terug lopen maar dan de andere kant het eiland op richting zee. Daar stond de zogenoemde normaalschool, de opmaat naar de lerarenopleiding.
Via de andere kant van het land
En toen hij uiteindelijk op zijn 19de in Middelburg zijn onderwijzersexamen op zak had, pakte hij alle kansen die hij kreeg met beide handen aan. Hij begon aan de dorpsschool in Wemeldinge maar toen een betaalde baan daar te lang op zich liet wachten, verkaste hij naar Millingen aan de Rijn. Daar ontfermde hij zich over veertig levendige jongens. Voor de tocht van Zeeland naar Millingen moest hij zo ongeveer het hele land doorkruisen. De reis duurde drie uur waarvan het laatste stuk per boot en roeiboot.
Omdat hij graag bezig was met taal, zowel lezend als schrijvend, deed hij in uitgebreide epistels verslag van zijn belevenissen aan zijn ouders, broers en zussen. Over de verschillen tussen de katholieke omgeving van Nijmegen en het protestantse Zeeland. Maar ook over de levendige jongens die hij stil kreeg met zijn mooie verhalen. De heimwee die hij in eerste instantie voelde, verdween door druk bezig te zijn.
Ook hier pakte hij alle kansen die hij zag. Zo gaf het schoolhoofd hem bijles Duits en Frans. Dat wierp vervolgens weer zijn vruchten af en resulteerde in een uitnodiging van een Franse familie in 1906 om een tijd bij hen door te brengen. Daarna lokte het ‘grote’ geld en kon hij voor een hoger salaris in Maarssen aan de slag. Ook daar was iemand hem goed gezind, die hem stimuleerde tot het behalen van de akte LO Frans en een bevoegdheid tot hoofdonderwijzer. In 1908 stapte Foort over naar de Nutsschool voor jongens in Den Haag.
De Hofstad
Het was even wennen de eerste paar weken in het Haagse maar allengs vond Foort zijn draai. Hij kon ook privé bijles geven. Dat de ouders hem waardeerden, bleek uit een duur cadeau: de werken van Shakespeare. Daarmee kon hij zijn Engels nog verder verfijnen. Bovendien voelde hij zich gewaardeerd. Niemand keek neer op een onderwijzer en alle moeite van de afgelopen jaren werd hiermee beloond.
Hij vloog al wat meer uit en bezocht Londen waar hij zijn ogen uitkeek. Zijn sociale leven had wel te lijden van al die bezigheden. Hij schreef in brieven aan zijn familie in Zeeland dat hij zich eenzaam voelde.
Maar op een ouderavond in 1913 veranderde dat op slag. Een oudere zus van een van zijn leerlingen kwam naar de vorderingen van haar broer informeren. Hun vader, een drukbezette Haagse architect had daar geen tijd voor. Sinds het overlijden van hun moeder, een jaar eerder, bestierde Ina, zo heette die zus, het huishouden. De vlam tussen Foort en Ina sloeg over, precies twee weken nadat hij zijn aanstellingsbrief voor Grahamstown ontving.
Richting zuiden
Omdat hij zijn vleugels wilde uitslaan, had hij gereageerd op een vacature in Zuid-Afrika. Daar zagen ze zo’n talenwonder wel zitten.
Vlak voor vertrek naar het zuiden kon hij nog even in Wemeldinge de familie vaarwel gaan zeggen. Daarna vertrok hij per boot vanuit Vlissingen en voer via Southampton, de Canarische eilanden, langs St. Helena, om de bocht bij Kaapstad naar de haven van Port Elisabeth om van daaruit het laatste stukje per trein af te leggen. Op de boot zaten zo veel nationaliteiten, dat hij al zijn talen goed kon oefenen.
Bij aankomst was het winter in Zuid-Afrika en spatte de droom van warme oorden uiteen. Gelukkig paste de strenge discipline van de school goed bij Foorts levensstijl. Toen de winter overging in de lente en vervolgens in de zomer, was hij gewend en kon hij op zijn eindeloze wandelingen genieten van de prachtige flora en fauna. Geraniums en passiebloemen wisselden af met de vele fruitbomen. In plaats van paarden of koeien zag je hier overal struisvogels. Heel exotische beesten met veren en op hoge poten die enorme eieren leggen.
In zijn vrije tijd schreef hij ook lange brieven. Naar huis maar ook naar zijn geliefde. Over de kaffers zoals de kleurlingen in Afrika destijds nog werden genoemd. Die kwamen niet naar de ‘blankenscholen’ en deden zoals hij in zijn correspondentie omschreef, ‘ondergeschikt werk’. Je herkende aan hun veelkleurige kleding want gaten werden met lappen gemaakt en liever een gelapte broek dan een overduidelijk gat er in.
Inmiddels is kaffer net als het Engelse equivalent voor Afrikaanse Amerikanen nigger een scheldwoord en verbannen uit onze taal.
Het Vaderland
Maar Foort schreef ook brieven naar Het Vaderland, de krant van Den Haag. Met zijn artikelen voorzag hij Nederland van informatie over de politieke situatie in Zuid-Afrika. Dat hield hij decennia vol, omdat naar zijn mening ‘Je er zelf geweest moet zijn, om te kunnen oordelen’. Ondanks de dreiging van de Eerste Wereldoorlog in Europa besloot hij januari 1915 Nederland en zijn inmiddels met-de-handschoen-verloofde te bezoeken. Omdat Ina’s vader was hertrouwd, kon ze na een korte huwelijksceremonie aan het eind van diezelfde maand meteen mee op huwelijksreis terug naar Grahamstown. De route liep in verband met de oorlog tussen mijnen en boten door deze keer via Londen, Madeira naar Kaapstad. Van daaruit ondervond het pasgetrouwde stel op het laatste stukje naar Grahamstown niet meer zoveel oorlogsdreiging. Onderweg leerde Foort zijn vrouw een beetje Engels zodat zij zich in haar nieuwe thuis beter kon redden.
Bovendien genoten ze vanaf toen samen van de prachtige en unieke Zuid-Afrikaanse natuur. Die herbergt alle Europese diversiteit in een. De bergen doen denken aan de Alpen en wat meer richting Kaapstad hadden inmiddels Franse boeren een groot wijnlandschap gecreëerd met namen als Franschhoek en Stellenbos. Aan zee zie je pinguïns en zeeleeuwen. Landinwaarts leeft de Big 5, waaronder neushoorns, olifanten en leeuwen. Foort vertelde nog jaren later aan zijn kinderen en kleinkinderen dat een van die laatste zijn pad kruiste toen hij, avontuurlijk als hij was, wat verder weg tochten ondernam in de omgeving. We hingen aan zijn lippen en waar of niet waar, de ontmoeting liep in ieder geval goed af.

In het voorjaar van 1921 ondernam het gezin, inmiddels uitgebreid met twee dochtertjes, de terugreis naar het vaderland. Na acht jaar was het mooi geweest, bedachten ze. De oorlog was al even voorbij en met wat extra Nederlandse bijscholing kon hij aan het einde van dat jaar beginnen als leraar Nederlands aan de Vierde gemeentelijke HBS in Den Haag. Later volgde er ook nog een aanstelling Frans bij.
Het rode potlood
Zijn doctoraalexamen Nederlands in 1924 verschafte Foort een volledige onderwijsbevoegdheid. Daarmee mocht hij ook andere vakken geven. Naast aardrijkskunde werd dat geschiedenis dat hem er ook weer toe aanzette historische studies te schrijven en in het verlengde daarvan te promoveren. Natuurlijk ging dat over een Afrikaans onderwerp. De titel luidde: Het ontslag van Wilhelm Adriaen van der Stel.
Hij schreef bovendien zijn eigen lesmateriaal, diverse artikelen, waaronder steeds meer politiek geëngageerde en tot op hoge leeftijd een taalrubriek in Het Vaderland en De Telegraaf. Ik herinner me nog dat hij met het rode potlood de krant corrigeerde en retourneerde naar de redactie. Hij huldigde het standpunt dat gebruik van taal duidelijk en ondubbelzinnig moest zijn. Dat liet hij iedereen ondubbelzinnig weten. En dan te bedenken dat hij bij mijn geboorte al bijna 80 jaar was!
Na zijn verblijf in Zuid-Afrika bleef het reizigersbloed stromen. Hoewel de gedreven Zeeuwse jongen in het begin niet zo’n avonturier was, reisde hij nu heel Europa door, van Spitsbergen tot aan Gibraltar. Maar hij schrok ook niet terug voor de landen ten zuiden van de Middellandse Zee als Syrië, Palestina en Egypte. Vaak alleen, want een avonturier laat zich immers niet beteugelen.
Toch bleven zijn gedachten bij Zuid-Afrika. Zijn belevenissen uit die tijd zette hij op papier en publiceerde hij, zoals het boek ‘Zwarten en zwart gemaakten’.
Erfenis
Wat Foort ons, (achter-)kleinkinderen, als erfgenamen naliet? Een vriendin constateerde al eens dat ik milder werd in de loop der jaren. Foorts rechtlijnigheid manifesteerde zich in mijn scherpe (en soms wat kort door de bocht) reacties. Maar ook in een extreem gevoel voor rechtvaardigheid. Op zich geen slechte eigenschappen hoewel sommigen er soms wel aan moeten wennen, merk ik.
En dan nog dat rode potlood. Dat hanteer ik nu, weliswaar niet altijd letterlijk al 30 jaar als (eind)redacteur. Bovendien kan ik me niet anders herinneren dan dat wij thuis spreken in gezegden en dat we de onhebbelijkheid hebben anderen in hun taalgebruik te verbeteren. Datzelfde geldt overigens net zo voor mijn eigen kinderen, waarvan er eentje ook nog eens vijf talen spreekt.

 

NB: Dit verhaal staat samen met 29 andere verhalen van verschillende auteurs in de verhalenbundel Effenaf.

Mijn fascinatie voor instrumentatie

fascinatie voor instrumentatie

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar wij zijn driftig aan het opruimen geslagen. Er staan nog wat dozen in een hoek….

De stelregel luidt: alles waar je tien jaar niet naar omkeek, kan weg. En er kan dus een heleboel weg. Maar de schatten die we nog vinden, wauw.

 
Instrumentatie
Ik stond begin tachtiger jaren op HET Instrument in Amsterdam. U weet wel die voorloper van Wots. Ik stond bij Zeiss om precies te zijn en vooral om koffie te schenken. Meedrinken legde ik al gauw af tegen de geoefende vertegenwoordigers. Jaren later bewoog ik mij toevallig weer over de beursvloer van HET Instrument. Nou ja toevallig….

 
Bewegend schilderij
Want ik vond in de opruiming ‘Kroniek van een stamboom’ die mijn vader in juni 2012 voltooide. Die beschrijft hoe Hendrik Ulland vanuit het Duitse Brünen, waarschijnlijk om de Pruisische dienstplicht te omzeilen naar Amsterdam trok. Daar huwde hij in 1749 Helena Vrojonk. Al snel veranderde de naam onder Hollandse invloeden in Hendrik Olland. Zijn kleinkind Hendrik begon rond 1800 als horloge- en instrumentmaker in Groningen. In zijn vrije tijd maakte hij een ‘bewegend’ schilderij. Dat belandde uiteindelijk bij het museum ‘Van speelklok tot pierement’ in Utrecht. Behalve een uur-, speel- en slagwerk bevat het een klokkenluiderswerk en een mechaniek voor bewegende golven en schepen, draaiende molens en bewegende mensfiguren.

 
Eerste weegschaal
De naam Hendrik komt veelvuldig voor in onze stamboom. Dat maakt het even lastig. En zo belandde kleinkind Hendrik (voor het gemak maar even aangeduid als nr.3) met zijn gezin in Utrecht. Daar ging hij aan de slag als wis- en natuurkundig instrumentmaker. Ook zijn zoon Hendrik 4 wordt instrumentmaker maar neemt niet de zaak van zijn vader over. Dat doet wel zijn broer Willem Carel die uiteindelijk kinderloos het bedrijf aan neef Frederik Hendrik overdoet. Die Willem Carel (W.C.) is nog wel een bijzondere want die ontwerpt een van de eerste weegschalen. Misschien hadden zijn ouders bij de wetenschap dat zijn initialen voortleven op de weegschalen, zich misschien over zijn naam nog bedacht.

 
Automaten
Op de site van museum ‘Van speelklok tot pierement’, waar dat bewegende schilderij uiteindelijk terechtkwam, staat ook een verklaring voor Automaten. ‘Mechanisch in beweging gebrachte taferelen, mens- of dierfiguren noemen we automaten. Automaten bevatten lang niet altijd een speelwerk maar die in de collectie van Museum Speelklok wel. Ze kwamen in de Klassieke Oudheid al voor maar waarschijnlijk speelden ze toen nog geen muziek. De automaten met een speelwerk duiken voor het eerst in een negende-eeuws document op. In een verhandeling van de drie gebroeders Musa uit Bagdad is sprake van een automatische fluitspeler die met behulp van een speeltrommel zijn instrument kan bespelen. Aan het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw bevond zich in het Duitse Augsburg het centrum van de Europese uurwerkmakerij. Onder andere voor de Habsburgse vorsten werden behalve uurwerken ook bijzondere tafelstukken geleverd. Van mechanische wagentjes met bewegende figuren die op van te voren bepaalde tijdstippen in actie komen tot miniatuurschepen die al deinend en schietend over tafel gaan. Uitgevoerd in zilver en goud en vaak beschilderd. De muziek die de Augsburgse automaten speelden was eenvoudig.’

Waarschijnlijk liet Hendrik 2 zich daardoor inspireren.

 
Fascinatie
Doorbordurend op die automaten: de Olland-fabriek stapte na de oorlog ook over op het maken van koffieautomaten. Vandaar dat menigeen eind vorige eeuw zodra ik mijn naam noemde, repliceerde ‘Oh van de koffieautomaten’. En inderdaad verwierf ik wat familie-aandelen en vierde ik het Koninklijk na 125 jaar (in 1978) mee.

Maar bovenstaand verhaal markeert het begin van de ‘regeltechniekfamilie’ waartoe ik behoor. En verklaart waarschijnlijk mijn fascinatie voor instrumentatie. Want al volgde ik dan geen technische opleiding, ik red me aardig en voel me in mijn element als iemand een instrument aan mij wil uitleggen. Om dat dan namelijk vervolgens weer met anderen te kunnen delen.

 

 

 

Deadlines in Corona-dagen

Corona

Tijd zat toch, in deze Corona-dagen? Ik keek mijn site terug en zag dat ik bijna een jaar geleden voor het laatst een blog schreef. In mijn documenten ontdekte ik twee beginnetjes, oeps.

Ik mis deadlines maar stel me er nu gewoon zelf een. Hierbij het resultaat.
Blij ei
Het onderwerp van dat laatste blog een jaar geleden is ruim een jaar oud en het is allemaal goed gekomen. Nog steeds een blij ei, actief en super fanatiek. Een reünie met de broertjes en zusjes nog net voor de Corona-lockdown gaf een mooie vergelijking.
Corona-dagen
Omdat ik altijd al vanuit huis werk, verandert er in deze Corona-tijd niet zoveel. Geen bijeenkomsten of beurzen en zo nu en dan een telefonische afspraak. Dus tijd zat, toch? Bijvoorbeeld om achterstallig mail- en siteonderhoud te plegen. Van opschonen, via keywords naar cornerstone-artikelen.

Tussendoor biedt de (buiten)ruimte om ons heen een aangename quarantaine. Maar ik mis mijn deadlines!
Deadlines
Zo’n stok achter de deur helpt. Immers, onder druk wordt alles vloeibaar. En dat merk ik. Want terugkijkend vloeide menige dag door mijn vingers. Wat hield me nou de hele dag bezig? Want als het vandaag niet hoeft en morgen ook kan………Heel verraderlijk. En omdat ook hier brood op de plank moet, schieten onbetaalde klusjes (zoals mijn eigen site bijhouden) er wel eens bij in.

Inderdaad, de conclusie: er liggen nog genoeg betaalde klusjes te wachten. Gelukkig maar.

Maar dus ook even tijd voor mijn eigen site nemen. Want om even wat ‘marketingtaal’ te bezigen: je moet in de lucht blijven om als eerste in die klant zijn gedachten te komen, als hij je weer nodig heeft.

Want als alles weer ‘normaal’ gaat, zet ik mijn kennis en ervaring graag weer voor anderen in.
Imagoproblemen
Overigens gingen de twee beginstukjes van blogs die ik al eerder noemde over imagoproblemen en stille kracht. Dat laatste slaat overigens niet op de gelijknamige film naar het boek van Couperus. Ik kan het niet meer helemaal terughalen maar het lijkt me dat het slaat op de mensen achter de schermen. Van de zorg tot aan uw procesinstallatie.

De eerste, imagoproblemen is voor mij zonneklaar. Die gaat over perceptie van een beroep. Want dachten we tot deze Corona-tijd niet dat de zorg niet belangrijk was? En ik merk dat de industrie nog steeds ‘lijdt’ onder het imago van een blauwe overall en vieze handen. Heel jammer.
Van gedachten wisselen
Misschien dat je een mooi voorbeeld weet van ‘beroepsbeoefenaars tegen de klippen’ op maar niet weet hoe je dat moet delen. Of misschien wil je maar gewoon in de lucht blijven. Laten we eens van gedachten daarover wisselen en kijken hoe we elkaar daarbij kunnen ondersteunen.

Want de Corona-maatregelen bieden toch alle tijd van de wereld daarvoor….

En zoals gezegd: ik vaar wel bij (meer) deadlines.

 

Blij ei

Blij ei

Ik ben Quinta, 15 weken oud en zoals mijn naam al doet vermoeden de vijfde labrador in deze roedel. Omdat ik al heel wat meemaakte in mijn jonge leventje, wil ik dat graag met jullie delen.

 
Zwarte teef
Ik arriveerde hier acht weken na mijn geboorte: (vrijwel) zindelijk en op mensen gericht! Daarmee bewees de fokker uit Nijkerk alle nieuwe eigenaren een heel grote dienst.

Het vrouwtje was op zoek naar een ‘pittige’, zwarte labradorteef. Dat eerste omdat de baas soms nog wel eens kan bassen, zwart omdat dat de authentieke kleur is en het laatste omdat ze tzt nog een nest wil. Ze kwamen mij ophalen: onverschrokken, niet in zeven sloten tegelijk lopend en opgewekt. Oftewel een blij ei zoals ze dat noemt.

 
Blij ei
De reis van ruim een uur viel niet mee. Maar zoals gezegd was ik al zindelijk en met alleen wat hijgen, redde ik het.

Toen volgde de kennismaking met de twee labradors die hier ook wonen, de een 12,5 jaar en de ander 8,5 jaar. Ik wond hen meteen om mijn vinger zoals ik vanaf dat moment iedereen die ik ontmoet(te) om mijn vinger wind. Behalve misschien poes Ollie. Die vindt mij nog steeds een beetje eng (of onstuimig, zo je wilt).

Ik imiteer hem nu, kijk eerst even de kat uit de boom maar spring vervolgens overal huppelend op af.

 
Ongeluk
Twee weken lang maakte ik kennis met allerlei nieuwe dingen. En toen mocht ik ook nog mee op jachttraining. Zo enerverend, veel wachten natuurlijk maar af en toe ben je aan de beurt en mag je je kunstje vertonen. Van zitten, liggen, komen op de fluit tot aan apport. Een makkie voor mij.

Bij het laatste uitlaatrondje diezelfde avond ging het mis. Omdat we in het buitengebied wonen en de maan die avond niet scheen, belandde ik huppelend naast het vrouwtje onder haar voet. Raden wie er zwaarder is….

 
Het vervolgtraject
Het deed zo’n pijn dus ik gilde het uit. De dierenarts raadde pijnstilling aan maar de volgende dag gingen we voor de zekerheid foto’s laten maken. Van mijn poot natuurlijk. Uitslag: twee haarscheurtjes, dus in een spalk. Die weerhield mij er niet van verder te gaan door het leven als, zoals de dierenarts dat zo mooi omschreef, de stuiterbal die ik al was. Resultaat: ik zat er niet mee, die spalk wel….

Dus regelmatig terug naar de dierenarts voor een verversing. Geen straf want ze hebben daar toch (veel) lekkere koekjes, mjammie.

Drie weken later zag de foto er goed uit en mocht de spalk er af. Mijn spieren hadden er behoorlijk onder te lijden en neerzetten vond ik nog eng. Dus raadde de dierenarts hydrotherapie aan.

 
Waterbad
Gelukkig ben ik als labrador niet zo voor een beetje water vervaard. Dierfysiosusan laat mij in samenwerking met het vrouwtje steeds een stukje lopen op een band onder water. Af en toe laat het vrouwtje het opgehouden koekje in het water vallen en beland ik met mijn achterwerk tegen de achterwand. Dat het vrouwtje een beetje dom is, wist ik natuurlijk al door die eerste actie… Verder is de samenwerking optimaal.

Nu moet ik mijn voet weer 100 procent gaan belasten. Maar Susan spreekt haar vertrouwen daarover uit, dus wie ben ik.

Nou ja, dat laatste is nog wel een dingetje. In het nest heette ik Pip, inmiddels dus Quinta, het vrouwtje noemt me vaak blij ei en anderen spreken me aan met voorbeeldig……

 

 

 

 

 

 

 

 

Duurzaamheid is hot

Duurzaamheid is hot

Soms vallen allerlei dingen samen. Zo belandde ik een dag voor Koningsdag op een site met een duurzaamheidsquiz. Mijn score ben ik even kwijt maar dat onderwerp spreekt me enorm aan. Want na bijna 20 jaar voor Recycling Magazine Benelux (RMB) schrijven, ben ik wel een beetje freak. Kijk alleen al naar mijn schijf van vijf.
Hot
Wat schetste mijn verbazing dat de dag erna Amersfoort een heel duurzaamheidsplein had ingericht voor de Koning. Onder de deelnemers Jessie en Nicky Kroon met hun project Zero Waste. Toevallig mocht ik vorig jaar juist daarover een artikel schrijven in RMB. Hartstikke goed en een leuk initiatief dat alleen maar navolging verdient.

 
Duurzaamheid
Hoe ik mijn eigen duurzaamheid uitdraag? Nou ik sjouw me rot met glaswerk en gelukkig wordt de rest eigenlijk wel thuis opgehaald. Hetzij door de ‘vuilniswagen’, hetzij door de kringloopwinkel (mijn woonplaats telt er geloof ik vijf!). Maar ook mijn regionale (groenten)pakket komt zo veel mogelijk in herbruikbare kratten zonder zakjes.

We hebben nog wat asbestdaken geërfd van de vorige bewoner en bezinnen ons nu op ‘hergebruik’. Ja niet van dat asbest natuurlijk, dat blijft lastig. Hoewel ik destijds voor RMB ook een beginnend project bezocht dat daarin moest voorzien. De ondernemer krijgt de financiering niet spits. Inmiddels startte een ander initiatief op Plant One in Rotterdam. Misschien dus toch nog even wachten? 2024 lijkt nog zo ver weg………………

Wij kijken intussen verder. Want als je de daken verwijdert, dan houd je nog een bak stenen over. Die kunnen we eigenlijk wel goed gebruiken, in gegranuleerde vorm voor onze oprit.

En de nog ondergronds aanwezige giertank is misschien iets om een warmtewisselaar in te leggen?
Extra aandacht
Ach zo blijft een mens lekker bezig. Met nadenken over hoe we de ladder van Lansink zo dicht mogelijk kunnen benaderen. Waarom? Omdat ik vind dat we in ieder geval ons best kunnen doen de aarde zo min mogelijk uit te putten. Ik herinner me nog als de dag van gisteren een collega die jaren geleden al verzuchtte: ‘Het feit dat wij hier rondlopen put de aarde al genoeg uit’.  Dus ja een beetje extra aandacht is nodig. En dat ik dat doe, draag ik graag uit. Via dit blog bijvoorbeeld. Doet u ook (veel) aan duurzaamheid maar weet u niet hoe u dat over het voetlicht moet brengen? Weet dat ik u graag help uw boodschap onder de aandacht van uw doelgroep te brengen. Want ja duurzaamheid is hot en kan een wereld van verschil maken. Voor uzelf maar ook als het gaat om klanten winnen.

 

 

Natuur(des)kundige

Natuur(des)kundige

Ruim een decennium geleden, toen ik begon in de procesindustrie, viel me al op dat bij veel technische bedrijven een technisch natuurkundige aan het roer stond.
Deskundige
Dat herinnerde me aan iets dat mijn vader ooit zei: ‘Leer een vak. Dat bedrijfskundige kun je als het je ligt altijd nog wel op pakken.’ Is het dat? Ik hoorde onlangs wel weer dat de bedrijven die het hoofd boven water houden, innovatief zijn en over een goed management beschikken. Door een combinatie van bovenstaande, veronderstel ik.

Toen onze dochter uitgeloot dreigde te worden voor geneeskunde, overwoog ze natuurkunde als alternatief. Voor mij als alpha een beetje ‘eng’. Maar ja, ik geloof best dat je er helder van leert redeneren en deduceren. En ja ik wil ook graag meer geïnteresseerden in techniek. En dan heb ik het nog niet eens over het vrouwenquota. Zij werd, gelukkig voor mij uiteindelijk toegelaten tot geneeskunde.
Natuurkundigen
Toch word ik ook wel blij van natuurkundigen als Jan Terlouw en Robert Dijkgraaf. Die naast dat beredeneren en deduceren ook nog de kunst verstaan van het uitleggen. Want ook al hoopt Dijkgraaf dat alle wetenschappers dat kunnen (‘De wetenschap graaft dieper en dieper. We zouden eigenlijk meer energie moeten steken in het uitleggen’) dat is niet iedereen gegeven.

Jan Terlouw (87!!) verstaat de kunst van het uitleggen overigens ook. Hij maakte al diepe indruk op heel Nederland bij ‘De wereld draait door’. Ik mocht er ook bij zijn op de Machevo-bijeenkomst eind 2018 waarbij een volle zaal een uur lang ademloos luisterde. Vanuit zijn eigen wereldbeeld de duurzaamheid op ieders bordje leggend.

Iemand die ook kan uitleggen/vertellen, geen natuurkundige overigens maar arts en astronaut, is André Kuipers. Zelfs misschien nog iets meer down2earth omdat hij ook volle zalen jeugd trekt. Laten die jongeren nou allemaal astronaut willen worden. Niet mogelijk zegt u? Maar ik houd mijn kinderen altijd voor dat je hoog moet inzetten en dan je dromen waar kunt maken.

En al is het maar de helft van die jeugd die de techniek omhelst, dan hebben we denk ik het tekort aan technici snel aangevuld.

Wilt u ook uw steentje bijdragen, bent u technisch maar niet in staat de vertaalslag te maken? Geen probleem, ik help u graag.

 

Pluk

Het bruin met zwart en witte, brutale vrouwtje klom vijftien jaar geleden over onze halve keukendeur. Nee geen pantervelletje of lapjesprint maar zoals het heet een schildpadpoes. Ze wist zich een plekje te veroveren door ons huis en erf ratten- en muizenvrij te houden.

De prijs voor liefste poes won ze niet. Navraag bij instanties en buren leverde geen rechtamtige eigenaar op maar wel de waarschuwing: schildpadpoezen zijn zelfstandig en eigengereid.

Inderdaad. Dat ervoer ook onze knuffelpoes Ollie. Die kwam een jaar later als kitten en hoopte een leuk speelkameraadje te vinden. Daar dacht mevrouw heel anders over. Al gauw begreep Ollie de hiërarchie. En hoewel hij soms nog een poging waagde, was merendeels een slag met een klauw zijn deel.
Pluk
Pluk werd ze al gauw gedoopt, gezien haar status ‘van de straat geplukt’. Ze vroeg niet veel. Optillen was uit den boze, slechts af en toe een bakje eten kon haar paaien. Ze leefde haar zelfstandige leven op ons erf en zocht in de winter nog wel eens een mandje in de warme keuken op. Slechts een keer konden we haar vangen om naar een dierenarts te slepen. Toen was ze dan ook heel erg ziek vanwege een baarmoederontsteking. Dus weg ‘nog-eens-een-nestje’-droom.

Naarmate ze op leeftijd geraakte, werd ze wel aanhankelijker. Tot de laatste week dat wel heel erg opviel. Haar honger leek al een tijdje onstilbaar. Soms moest ik wel vier keer per dag het bakje met lekkers vullen. Brokjes en water stonden er voldoende, maar die heerlijke mix in gelei………..

Toen ook de kattenbak drie keer per week moest verschoond en ik nog van alles in huis vond, ging het opvallen. Hield het bijna niet meer naar buiten willen, wel verband met de invallende winter?

Op een dag zocht ze toch nog een plekje buiten in de zon. Het licht scheen in haar ogen. Althans in een oog. Opeens zag ik dat haar linkeroog helemaal troebel was. Twee dagen later volgde ze me overal. Ging zelfs in de bureaustoel achter mij liggen, een voor haar onbekende aanhankelijkheid. Ze zocht hulp. Gelukkig kwam die snel en werd ze uit haar lijden verlost. Rust zacht Pluk.
Verder
En nu dan? We hebben twee kinderen, (veelal) twee honden, twee kippen en twee, oh nee nog maar een poes. Nou is dat laatste niet ons favoriete dier, wij zijn eigenlijk echte hondenmensen. En zoals het ons 15 jaar geleden overviel, moet het dan misschien nog een keer zo zijn….. Onder het motto: Pluk de dag.

Verbinden en verbanden leggen

Heel druk geweest. Zoals met de grote, industriële beurs (Wots/IP) in Utrecht maar ook met het bezoeken van allerlei bijeenkomsten. Maar het bood me wel de gelegenheid te doen wat ik het leukste vind: verbinden en verbanden leggen.
Verbanden leggen
En wat een energie krijg je van mensen die met passie vertellen over wat hen beweegt. Zoals de powervrouwen op de World Class Maintenance jaarbijeenkomst met vooral (hooggeplaatste) technische vrouwen. Staatssecretaris van Defensie Barbara Visser sloot af. De hele bijeenkomst draaide allemaal om werving van vrouwen voor de techniek. Algemene conclusie: passie. Stuk voor stuk waren de vrouwen door hun ouders meegesleept naar iets ‘waarvan ze dachten’ dat het iets voor hun kind zou zijn. Iets dat ze bij de STC in Brielle me destijds ook al vertelden. ‘Ouders die in de procesindustrie werken, komen hier enthousiast kijken met hun (soms onwillige) tiener op sleeptouw. Maar de laatsten gaan snel om.’

Hoezo verbanden leggen.

Nou wil ik niet generaliseren maar zelf heb ik ook ervaren hoe scholen soms de plank misslaan door (vooral meiden) te demotiveren voor een technisch beroep. Jammer, en een gemiste kans natuurlijk. Want als ergens een baangarantie aanzit……………….

Visser legde uit dat Defensie binnenkort een imagofilmpje presenteert omdat 70 procent van de meiden denkt dat defensie alleen voor mannen is! Kom op onderwijs ook jullie kunnen een steentje bijdragen aan imagoverbetering, ook van technische beroepen.
Verbinden
En dan natuurlijk de rol van passie. Steeds weer hoorde ik terug dat het leermeestergezelprincipe eigenlijk het beste werkt. Dan gaat het er wel om de meest positieve ambassadeur binnen je bedrijf aan een ‘jonge hond’ te koppelen. Zoals André van Ballegooijen uitlegde in zijn presentatie op Wots over het interne opleidingscentrum bij Bakker Sliedrecht. Maar het blijkt gewoon te werken: enthousiast vertellen hoe leuk je beroep is aan iemand die daar wat mee kan. Hoezo jong en oud verbinden….

Maar het was gewoon al leuk om allemaal ‘lotgenoten’ op de diverse bijeenkomsten te spreken. Allemaal met hetzelfde bezig: passie voor techniek. En dat willen zij en ik graag delen met iedereen die het horen wil, door verbinden en verbanden te leggen. Want al denkt u niet direct in techniek(en), er valt zo veel van elkaar te leren. Kruisbestuiving heet dat.

Doe er uw voordeel mee. Moeite om het handvatten te geven en in de praktijk uit te voeren? Schroom niet en vraag iemand anders hoe het werkt. Aan mij bijvoorbeeld.

 

 

 

De grootste uitdaging

Time flies. Niets is minder waar ontdekte ik maar weer eens toen ik tot mijn schande zag dat ik mijn laatste blog afgelopen zomer postte. Er gebeurde ook wel veel de afgelopen maanden, maar dat is geen excuus.

Het mensen verbinden en verbanden leggen, gaf mij weer veel energie. Zo bleek de successtory van VDL te danken aan de vooruitziende blik van Willem van de Leegte: mensen blijven het belangrijkste kapitaal. Althans, als je in 50 jaar van 3 naar 16.000 medewerkers gaat, doe je iets goed toch?
Uitdaging arbeidsmarkt
De arbeidsmarkt zal veranderen, het personeelstekort loopt alleen maar verder op in de industrie. De nationale denktank heeft bedacht dat we mensen die ons land van elders binnenkomen, op weg kunnen helpen met een taalbootcamp. Zoiets als wij ‘bij de nonnen’ doen als we een buitenlandse betrekking aannemen.

En natuurlijk zal de robot opstomen maar dat maakt mensen geenszins overbodig. Ik las onlangs een artikel in een krant waarin werknemers hun robotcollega’s prijzen.

We moeten wel leren flexibel met arbeidskracht om te springen (agile HR) en onszelf flexibel op te stellen. Nou doe ik al ruim 15 jaar niets anders dus ik herken het wel. Deadline-gestuurd werken heeft voordelen. Ok, het valt niet mee zo begin januari een nummer af te moeten sluiten, dat vergt wat discipline.
Ontmoetingen
Maar ik had goed geoogst. Diverse bezoeken en ontmoetingen vloeiden in elkaar over. Zo ontdekte ik steeds een nieuwe loot aan de ‘agile-stam’ en kon ik een ander weer op weg helpen. Want ja ik moet er wel over blijven communiceren natuurlijk. En dan blijkt toch weer ‘het verbinden en verbanden leggen’ zijn vruchten af te werpen.

Dus ook (communicatief) vastgelopen? Laten we eens brainstormen of we er samen uitkomen. Als ik iets heb geleerd van 2017 is het dat moeten veranderen soms weer heel nieuwe kansen en uitdagingen biedt. Het durven, dat is de grootste uitdaging!

 

Een hete zomer

Mij maak je eigenlijk niet blij met een verplichte zomervakantie. Ik ga liever skiën, of iets echt moois bekijken (een kind in Kaapstad biedt weer een mooie aanleiding) dan dat ik nu heel veel moeite moet doen om alles in goede orde achter te laten om bij terugkomst te schrikken van hoe hoog het onkruid al weer staat. Het is niet zoals bij sommige mensen dat ik mijn eigen bed het lekkerst vind. Ik ben flexibel genoeg om me aan vele situaties aan te passen. Thuis kan ik heel goed af en toe mijn ogen dicht knijpen voor klusjes die moeten gebeuren en een boek pakken. Maar feit is dat iets aanpakken dat al lang lag te wachten, ook wel weer een kick geeft.
Hete zomer
Dus rommel ik wat rundum Hause. Af en toe achter de PC of juist in een border, een fietstochtje voor een boodschap, toch nog die stapel die mij al zo lang verwijtend ‘aankijkt’ uitzoeken en opruimen of even naar de ‘buren’ om fruit te helpen plukken. Het weer werkt mee, dus ’s avonds met een goed glas rondom de bbq of het buitenhaardje. Heerlijk. En die hete zomer? Nou los van het feit dat mijn boerenburen voor het eerst in jaren hun wei sproeiden zo warm en zo weinig neerslag hebben we hier, gebeurde er weer van alles.

Dichtbij en ver af, zowel letterlijk als figuurlijk. En soms krijg je het daar erg heet van. Maar zoals het poëzieliedje van vroeger ons al voorhield: ‘achter de wolken schijnt altijd de zon’. Of naar de moderne vertaling: je moet er over heen kijken (valt overigens niet altijd mee als je er middenin zit), een waarheid als een koe. Al die (zomer)hitte inspireert om dat extra stapje te zetten en een nieuwe uitdaging aan te gaan.

Ok, er is een uitzondering: de zee bij de hand is wel erg lekker bij hitte. Maar ja dan verzinnen veel mensen het tegelijkertijd en ligt (over)verhitting op de loer voordat je er bent. Tijd voor verhuizen?

Voorlopig houd ik het hier nog wel uit en kijk ik wat voor uitdagingen er op mij liggen te wachten in deze hete zomer.

Ik wens u veel koelte toe.

Belle dubbel

U denkt bij die kop en dit zomerweer misschien direct aan een koel biertje. Maar nee, niets is minder waar. Ik denk aan een vriend die jaren geleden als iemand zijn/haar dochter weer eens ‘Beau’ noemde, verzuchtte ‘Weten ze niet wat de vrouwelijke vorm is?’ Juist Belle dus.

Maar onlangs trof ik binnen een week twee keer een echte ‘Belle’, vandaar de kop dus: Belle dubbel.

Allereerst een van de bewoners van het kasteel dat ik bezocht, Kasteel Zuylen, vlakbij Utrecht. Bewoonster Belle van Zuylen heette eigenlijk Isabelle Agneta Elisabeth van Tuyll. Deze 18e -eeuwse schrijfster was een beta en een rebel die haar pseudoniem ontleende aan het slot waar ze haar jeugd doorbracht. Een slot dat overigens als een van de eerste bewoners de heren van Zuylen had die ook landgoederen bezaten in het land van Kleef. Een daarvan is Anholt, ongeveer in mijn achtertuin, waarvan de oorsprong van het huidige kasteel daar ligt in een fort uit de 12e eeuw om het bezit van, juist het bisdom Utrecht veilig te stellen. En dat geeft maar weer aan hoe raar dingen soms met elkaar verweven zijn.

De tweede Belle? Die ‘ontmoette’ ik tijdens een masterclass ‘Bladen maken anno nu’ van De Redactie. Het zal u niet ontgaan dat de bladenmarkt zich in een transitie bevindt: cross mediaal, oftewel een combinatie van print en digitaal en vooral veel extraatjes als linkjes, filmpjes en noem maar op. En in het kader van een leven lang leren, toog ik dus naar de masterclass. Vier heel verschillende sprekers, ’s ochtends twee ‘online’ vrouwen en ’s middags twee ‘mannen van de oude stempel’. Heel toevallig maar wel grappig om te vergelijken en heerlijk om weer even ‘gevoed’ te worden.

Maar je komt op zo’n dag ook in aanraking met collega’s. De jongste van de groep zat naast mij en vertelde over haar ‘Huis van Belle’. Een paar jaar geleden als online platform voor (christelijke) jeugd begonnen. ‘Ik bedacht me wat ik zelf had gemist in mijn jeugd’. Inmiddels is ze, vind ik heel stoer, een printmagazine begonnen en kan ze zich verheugen in een groeiende belangstelling.

U begrijpt dat ik helemaal geïnspireerd naar de parkeergarage liep, waar overigens diegene die mijn auto had ‘gekust’ keurig zijn visitekaartje onder de ruitenwisser had gestoken. Vond ik wel weer een ‘belle’ gebaar.

 

 

Circulariteit

Zoek het op en je krijgt ‘rondgaande beweging’. Zo ongeveer als je een column of blog leert schrijven, eindigen bij je beginpunt.

Hoe ik er op kom? Ik loop vaak tegen een buzzwoord op en deze keer is het circulaire economie. Volgens Wikipedia is dat ‘een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. Anders dan in het huidige lineaire systeem, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd’.

En de verwarring sloeg toe bij mij. Want circulair is wat mij betreft grondstoffen almaar hergebruiken. Stuitte ik in mijn zoektocht op internet alleen op een artikel op Management Impact van een onderzoeker en een hoogleraar van de Radboud Universiteit in Nijmegen over gebruikslekkage en ik was weer een illusie armer. Maar ik was sowieso al getriggerd bij maximaliseren en minimaliseren, want hoe kwantificeer je dat? Op twee bijeenkomsten die ik onlangs bezocht, ontdekte ik dat ik al ver ben in mijn circulaire gedachten. Voor mij gaat circulariteit zo ver dat het ook is grondstoffen zo gebruiken in je ontwerp dat ze weer makkelijk te scheiden zijn in monostromen. Daarna kun je dus upcyclen, hergebruiken en er iets met meer waarde van maken. En dat bracht me, al weer via Wikipedia op schijn-upcycling en dat herkende ik. Want vaak is het nog mooie dingen maken van stoffen waar je eigenlijk niets anders meer mee kan maar die aan het einde van hun levensduur toch weer in de oven belanden omdat ze op zichzelf niet meer (rendabel) te recyclen zijn. Dus niets (oneindig) rondgaande beweging. We zijn er nog niet maar ik heb al mooie initiatieven gezien dus blijf hopen en natuurlijk informatie verzamelen om te verwerken tot mooie verhalen en blogs.